|
De Middeleeuwen worden nog altijd geassocieerd met duistere eeuwen, de tijd van ketterij en aflaathandel. Een hele schat van duizend jaar christelijk denken en leven laten we zo links liggen. En dat, terwijl de middeleeuwse kerkgeschiedenis zich zo goed laat verbinden met onze tijd. Esther Jonker is promovenda aan de Universiteit van Leiden, en verdiept zich in het Amsterdams Perikopenboek (1348). In dit artikel gaat zij in op de actualiteit van de Middeleeuwen.
Esther Jonker, Nederlands Dagblad, 25 juni 2010
Het was een zondagmiddag ergens eind oktober. Slechts een kleine groep mensen had zich voor de middagdienst naar de stadskerk begeven. De ruimte vulde zich met ons gezang. Na de Bijbellezing kondigde de predikant aan te gaan preken over 'de zegeningen van de Reformatie'. Als mediëviste pur sang voelde ik mijn tenen kromtrekken. Kon zo'n titel nog iets goeds beloven?
Het resultaat was even voorspelbaar als bedroevend. Alle bekende vooroordelen klonken weer eens van de kansel. Men las de Bijbel niet, er werd niet in de volkstaal gepreekt en iedereen was gewoontegetrouw of bijgelovig. Geen levend geloof, geen heil en zegen - slechts diepe duisternis lag in deze eeuwen over de aarde. Maar, o zegen, daar kwamen Maarten Luther en Johannes Calvijn als Gods gezonden boden om het volk te redden uit deze ellende. En daarmee kwam alles weer goed.
Ketterij
De goedwillende dominee tekende precies de protestantse houding tegenover de middeleeuwen. Hoewel er de laatste tijd wel iets meer aandacht lijkt te komen voor middeleeuwse fenomenen als het kloosterleven en de mystiek van Meister Eckhart of Jan van Ruusbroec, is voor menig protestant het begrip 'middeleeuwen' nog altijd synoniem aan ketterij en aflaathandel. Een periode waar we met enige huiver op terugzien en waaruit we gelukkig zijn bevrijd. De vroege kerk komt steeds meer in beeld als inspiratiebron voor gemeente-zijn in de marge, maar met de eeuwen daarna weten we nog niet zo goed raad. De tijd waarin het christendom tot bloei kwam, is veelal slecht geïntegreerd in het protestantse kerkhistorisch besef. Met het negeren van de middeleeuwen sluiten we ons echter af voor een millennium aan christelijk denken en leven. Hoewel het enige voorbereiding kost om middeleeuwse teksten in hun eigenheid te lezen, ligt er een schat aan doordenking over kerk en dogma, politiek en samenleving op ons te wachten. En de middeleeuwse kerkgeschiedenis blijkt soms verrassend te verbinden met onze tijd. Als pleidooi voor een hernieuwde oriëntatie op de middeleeuwen werk ik daarom hieronder drie thema's uit, die opvallende raakvlakken vertonen met de kerkelijke actualiteit. Daarin kom ik de middeleeuwer tegen als medegelovige, van wie ik iets kan leren.
Inculturatie
Ons startpunt is de negende eeuw. De Lage Landen waren nog grotendeels onontgonnen gebied, slechts spaarzaam bevolkt door Friezen, Saksen en Franken. Vanuit het zuiden trokken de Franken steeds verder op, richting het huidige Utrecht en nog verder, en in hun kielzog volgde het christelijk geloof. De Franken waren al lang overgegaan tot het christendom en zagen zich meer en meer als opvolgers van het West-Romeinse rijk. Het was hun politiek geworden om in elk veroverd gebied de bevolking tot het christendom te bekeren. Helaas ging dat er niet altijd even zachtzinnig aan toe en schuwde Karel de Grote bijvoorbeeld weinig middelen om mensen zover te krijgen. Naast dwang en zwaard bestond er echter ook een leger aan missionarissen, die zich in het nieuwe Frankische land verspreidden. Zij maakten soms gebruik van het keizerlijk geweld, maar vaak ook probeerden ze met wijsheid en tact het evangelie onder de mensen te brengen. Een beproefd middel vormde daarbij de inculturatie van het christendom: heidense gebruiken en plaatsen werden omgevormd en kregen een plek binnen de christelijke cultuur. Nog altijd vieren we Kerstmis daarom op de donkerste dagen van het jaar.
De evangeliën vormden de kern van het kersteningsprogramma. Maar er bestond wel een diepe kloof met de cultuur die helden hoogachtte en weinig begreep van de oosterse setting. Een prachtig voorbeeld van een poging die kloof te overbruggen is de Heliand . Daarin worden heldenepos en evangelie met elkaar verbonden. In een context van Saksische burchten en strijders laat de schrijver Christus het kwaad overwinnen door zijn dood. Hoewel het evangelieverhaal intact blijft, is Christus vooral de grote held, die voortdurend wordt tegengewerkt door kwade machten.
In dat meeslepende verhaal zie ik de link met onze tijd. De Bijbel in Gewone Taal , het evangelie lezen met buitenstaanders, aansluiten bij hun leefwereld - het blijken allemaal inzichten die we door de middeleeuwen heen hebben overgeleverd gekregen. Die enthousiaste monnik, die het evangelie probeerde begrijpelijk te maken, daarin herken ik mijn missionaire drive bij de ontmoeting met mijn niet-christelijke medemens.
Stedelijke samenleving
Een tweede link met onze tijd vinden we in een ontwikkeling die vanaf de dertiende eeuw doorzette: de uitdagingen van de stad. De opkomst van de stedelijke samenleving en de leegloop van het platteland brachten begin dertiende eeuw nieuwe pastorale uitdagingen mee.
De parochiepriesters in de almaar groeiende steden waren veelal niet voldoende geschoold om al hun leden van passend geestelijk voedsel te voorzien. Tevens verschenen er op verschillende plekken in Europa ketterse groepen, die het gezag van de kerk ontkenden.
In antwoord op deze situatie ontstonden de bedelorden (zoals de dominicanen en franciscanen) die al snel een grote toeloop kenden. Hun voornaamste doel was het bieden van pastoraat en volkstalige prediking aan de snel toenemende stadsbevolking.
Hun kloosters stonden dan ook niet ergens afgelegen op het platteland, maar middenin de steden, als uitdrukking van hun pastorale aanwezigheid. Vanuit die kloosters trokken de broeders echter ook door het omringende land voor evangelieprediking en biecht. Uitgangspunt daarbij was de apostolische uitzending: de broeders hadden geen bezittingen en leefden van het gegevene.
De bedelorden kenden een enorme populariteit, voornamelijk omdat zich onder hen uitmuntende predikers bevonden. Het was de bedelbroeders er alles aan gelegen om de prediking toe te snijden op hun publiek. In het geval van de middeleeuwse stedeling betekende dat het leveren van aansprekende voorbeelden over het geleefde christelijke leven; voor een publiek van universitaire studenten daarentegen spitte men spannende theologische kwesties uit. Deze insteek werd gezegend met kerken vol mensen die soms voor het eerst het evangelie op een aansprekende manier kregen uitgelegd. En als antwoord op die prediking veranderden velen hun leven.
De houding van de bedelorden laat ons vragen genoeg om als eenentwintigste-eeuwers bij stil te staan. Bijvoorbeeld of onze kerken herkenbaar zijn als pastorale bakens in de stad en of we werkelijk alle moeite doen om onze prediking bij de luisteraars te laten landen. Een nog dringender vraag komt op bij de laatste verbinding die ik tussen de middeleeuwse kerkgeschiedenis en het heden wil leggen. Het betreft een tamelijk nieuw verschijnsel in onze kerken, dat vaak nog onbenoemd blijft: de groeiende groep singles, waarvan vrouwen het grootste deel uitmaken.
Vrouwenoverschot
In de dertiende en veertiende eeuw waren ongehuwde vrouwen geen onbekend verschijnsel. De stad was onder vrouwen populair, omdat daar passender banen beschikbaar waren dan het zware plattelandswerk. Veel steden kenden hierdoor een overschot aan zelfstandige vrouwen, die het sociaal gezien niet makkelijk hadden. Ook de kerk wist niet goed raad met deze specifieke doelgroep. Op wonderlijke wijze loste dit probleem zich op door een opwekkingsideaal, dat ook de bedelorden had geïnspireerd: de vita apostolica. Dit ideaal hield een combinatie van het actieve en contemplatieve leven in.
De mensen die zich hieraan wijdden, wilden zich én sociaal dienstbaar inzetten én een religieus georiënteerd leven leiden. In de Zuidelijke Nederlanden ontstonden uit dit ideaal de begijnengemeenschappen. In deze gemeenschappen (begijnhoven) woonden vrouwen bij elkaar die zich overdag dienstbaar maakten in de armen- en ziekenzorg of in ambachtelijk handwerk als weven en spinnen. De uren waarop zij niet werkten, vulden zij met geestelijke bezinning en kerkgang. Het is bekend dat onder hen ook vele goed opgeleide vrouwen een plek vonden, die de anderen leerden Bijbellezen en in de theologie onderwezen.
Begijnen vormden echter een lastige kwestie voor de kerk. Ze legden geen geloften af, zoals nonnen, en zaten niet veilig opgeborgen achter dikke kloostermuren, maar waren actief aanwezig in de stad. Ze konden ook zonder problemen het begijnhof weer verlaten. Omdat hun levenswijze moeilijk onder het reguliere gezag viel te plaatsen, werden begijnen op veel plekken in Europa verboden. In de Zuidelijke Nederlanden waren de dominicanen zich echter bewust van de grote spirituele kracht die de begijnen binnen de stad vormden. De 'anti-ketterorde' bij uitstek ontfermde zich over de begijnhoven, door er de biecht af te nemen en geestelijke leiding te bieden. Eeuwenlang konden de begijnen zo een belangrijke pijler van sociale en geestelijke zorg in de stad vormen. Hun aanvankelijk kwetsbare positie als zelfstandige vrouwen was omgevormd tot een krachtig getuigenis.
Dit laatste voorbeeld legt bij de kerken van nu de prangende vraag neer of ze een effectieve plek voor singles heeft. En het moedigt singles aan om ( for the time being ) hun levensvorm als een kans te zien zich op een bijzondere manier aan God te wijden. Alle drie de voorbeelden overtuigen mij ervan dat ook de tijd tussen vroege kerk en Reformatie relevant is voor de kerk vandaag. Terug naar de middeleeuwen dus!
Esther Jonker schreef aan de Universiteit Leiden een proefschrift over het Amsterdams Perikopenboek (gedateerd 1348), een van de oudste Nederlandse Bijbelhandschriften, waarop ze binnenkort hoopt te promoveren. |